Factsheet toestand en ecologische sleutelfactoren (DIPS)

Hoofdlijnen

Beschrijving van het gebied en watersysteem op hoofdlijnen

Botshol (NL11_7_1) heeft watertype “matig grote ondiepe laagveenplassen” (M27) en het wateroppervlak van het waterlichaam is 84 hectare.
Het waterlichaam bestaat uit de deelgebieden:
2550-EAG-1 (Noorderpolder of Botshol (zuid en west), Botshol Kleine- en Groote Wije), 2550-EAG-2 (Noorderpolder of Botshol (zuid en west), Botshol Midden)
De Botshol is een moeras- en plassengebied, ontstaan door veenafgraving. Dit laagveenmoeras ontwikkelde zich tot een zeer soortenrijk gebied. Dit laagveenmoeras is afhankelijk van de aanvoer van boezemwater. Dit komt doordat in de periode 1872-1877 het moerasgebied (polder Groot Mijdrecht) direct náást de Botshol is drooggemalen voor agrarische landaanwinning. Het waterpeil is daarbij vele meters verlaagd. Doordat de onderliggende zandbodem hier niet erg diep ligt en sterk doorlatend is, stroomt er veel Botsholwater ondergronds af naar de laaggelegen droogmakerij Groot-Mijdrecht. Botshol gedraagt zich in dit opzicht als `stofzuigerzak’: er passeert veel water en een deel van de meegevoerde stoffen blijft achter. Door de noodzakelijke aanvoer van boezemwater ontwikkelde de Botshol in de droge zomermaanden ook een licht brak karakter, doordat de naastgelegen droogmakerij steeds brakker water uitspuwde op de boezem. Om de fosfaatbelasting op het natuurgebied Botshol te verlagen heeft toenmalig waterschap de landbouwpolders en -percelen langs de Waver in 1987 waterhuishoudkundig gescheiden van het natuurgebied. Vanaf 1988 wordt de aanvoerstroom vanuit de Oude Waver voor peilhandhaving van veel fosfaat ontdaan door toevoeging van ijzerchloride (defosfatering). Om de chlorideconcentraties binnen de perken te houden werd af en toe ook vanuit de Vinkeveense Plassen wat zoeter water aangevoerd.
Het waterlichaam ligt in de provincie(s) Utrecht en gemeente(n) De Ronde Venen. Het waterlichaam Botshol heeft de status Natura2000-gebied en KRW waterlichaam en is in eigendom van Natuurmonumenten en particulier.

Ligging en beeld

Het ecosysteem ziet eruit als onderstaand beeld

Ligging waterlichaam

Ligging deelgebieden

Toestand

Ecologische analyse op hoofdlijnen

De doelen
Het KRW-doel is het realiseren van een goede ecologische toestand voor Matig grote ondiepe laagveenplassen (M27), met scores voor fytoplankton, macrofauna, waterflora en vis in het groen. De Natura2000-doelen zijn gericht op waterhabitats en moerasdoelen zoals veenmosrietlanden en galigaanvegetaties en op water- en moerasvogels.

De huidige toestand vergeleken met de doelen –slecht
De toestand in Botshol (zwarte lijnen in de figuur hiernaast) is slecht. Het biologische kwaliteitselement met het laagste oordeel is Ov. waterflora. De slechts scorende deelmaatlat van dit kwaliteitselement is Soortensamenstelling macrofyten.

De toestand in Botshol is slecht. De slechts scorende biologische indicator is Waterflora. In de 70’er en 80’er jaren van de vorige eeuw werden de plassen en petgaten steeds vaker troebel en verloren ze veel van hun heel bijzondere kranswier-vegetaties. Na de maatregelen die AGV in 1987/88 heeft genomen herstelden de watervegetaties zich en bedekten ze vaak grote delen van de plassen en petgaten. De afgelopen jaren is echter een teruggang te zien in soorten en bedekking van de ondergedoken watervegetatie. De ineenstorting van de waterhabitats is in 2012 begonnen, vanaf 2014 zijn bijna alle waterplanten weg. In 2017 en 2018 is dit uitgemond in een toestand waarin kranswieren en andere submerse planten helemaal weg zijn. Het terugveren naar een waterplantenrijk ecosysteem, dat voorheen steeds plaatsvond na een aantal droge jaren met een lagere belasting met voedingsstoffen, blijft uit. De score op de maatlat Fytoplankton vertoont een negatieve trend (-0.33 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). De score op de maatlat Waterflora vertoont een negatieve trend (-0.47 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). De score op de maatlat Macrofauna vertoont een positieve trend (0.11 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). De score op de maatlat Vis vertoont een negatieve trend (-0.18 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). Doorzicht (toename) en pH (afname) gaan vooruit en fosfor vertoont tussen 2006 en 2019 echter geen duidelijke trend.

Oorzaken op hoofdlijnen
De oorzaak van de slechte kwaliteit is de hoge voedselrijkdom van het waterlichaam. Verschillende factoren kunnen goede jaren belemmeren: toename af en en uitspoeling vanuit veenpercelen door nattere winters, redelijk veel poepende vogels (aalscholverkolonie), veenoxidatie door het uitzakken van het peil en drainage van veenpercelen waarbij voedingsstoffen vrijkomen, graafactiviteit ten behoeve van natuurherstel (mogelijke effecten van grondverzet), een minder effectieve defosfatering.

Maatregelen op hoofdlijnen
Veel maatregelen zijn gericht op verminderen van de fosforbelasting, bijvoorbeeld door het peilregime te optimaliseren, waterstromen om te leiden, de defosfatering te optimaliseren en drainage te verminderen.

Toestand

Huidige toestand vergeleken met doelen. De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.

Huidige toestand vergeleken met doelen. De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.

Ecologische sleutelfactoren

Ecologische sleutelfactoren

esficon Productiviteit water vormt een probleem, met name vanwege vertroebeling door zwevende algen. De externe belasting met fosfaat ligt rond de draagkracht. Daarbij is er sprake van ‘goede’ en ‘slechte’ jaren, die samenhangen met het weer. In natte winters stroomt fosfaatrijkwater uit de percelen naar het oppervlaktewater. In de zomer leidt dit tot te sterke algengroei en slecht doorzicht. In droge winters is de toestroom van fosfaat uit percelen naar oppervlaktewater veel minder door de sterke wegzijging naar polder Groot Mijdrecht. Er zijn minimaal twee achtereenvolgende droge winters nodig voor een herstel van de submerse vegetatie. Er zijn diverse fosforbronnen, zoals poep van vogels, veenoxidatie door een flexpeil (bij lagere waterstanden komt fosfor vrij), drainage van veenpercelen, graafactiviteit ten behoeve van natuurherstel, minder effectieve defosfatering, niet werkende isolatie van de Kloosterkolk (waar een aalscholverkolonie zit). De laatste visbemonstering laat een toename van brasem zien wat bij kan dragen aan troebel water. Erosie door het oxideren van veen bij een laag waterpeil, leidt tot een hoge baggeraanwas en nalevering uit de waterbodem.
esficon Lichtklimaat vormt een probleem. Tussen 2013 en 2018 viel er minder dan 4% licht op 2.9 meter waterdiepte. In 2019 is de extinctie lager, in juni 2016 viel er nog 4% licht op 1.9 meter. Algen zijn een belangrijke oorzaak van een slecht lichtklimaat.
esficon Productiviteit bodem vormt lokaal een probleem: Tussen de legakkers in het Zwanengat is de bodem voedselrijk en bestaat een risico op woekerende waterplanten. De concentratie ammonium is wel heel hoog en kan toxiciteit in de wortelzone veroorzaken.
esficon Habitatgeschiktheid vormt mogelijk een probleem: de oevers hebben een zeer steil talud en zijn soortenarm, maar er staan lokaal wel velden met kleine lisdodde en galigaan. Waarschijnlijk vormen de veenmosrietlanden in combinatie met ondergedoken vegetatie voldoende habitat voor fauna.
esficon Verspreiding vormt geen probleem. Doelsoorten zijn in de omgeving aanwezig, aanwezigen diasporen kunnen kiemen blijkt uit onderzoek van Bware (2018) en kunnen er ook komen.
esficon Verwijdering vormt een probleem: vraat door ganzen kan een mogelijk knelpunt vormen voor de ontwikkeling van oevervegetatie. Er zijn veel kreeften gevangen tijdens de vismonitoring en specifieke kreeftenmonitoring in 2018 in dit gebied.
esficon Organische belasting vormt geen probleem voor de kwaliteit van het watersysteem.
esficon Toxiciteit vormt geen probleem. De SIMONI score < 1 (0.4), dus er is geen toxisch risico voor flora en fauna. Het is geen risicogebied voor lozingen.

Bron

Deze factsheet is gebaseerd op de KRW toetsing aan (maatlatten 2018) uit 2019, begrenzing waterlichamen 2015-2021, hydrobiologische data 2006-2018 en conceptmaatregelen en doelen voor SGBP3 en Verslag van de workshop over de problemen met de (ecologische) waterkwaliteit in Botshol (2018).

Maatregelen (R)

SGBP 1 en 2 maatregelen die (deels) zijn uitgevoerd

SGBP 1 en 2 maatregelen in planvorming

SGBP 1 en 2 maatregelen die zijn gefaseerd

SGBP 1 en 2 maatregelen die zijn ingetrokken of vervangen

Nieuwe maatregelen voor SGBP3 tov totaal aantal maatregelen

Maatregelen

ESFoordeel SGBPPeriode Naam Toelichting BeoogdInitiatiefnemer Gebiedspartner UitvoeringIn afweging
esficon SGBP3 2021-2027 (Tijdelijk) afkoppelen of omleiden van waterstromen van Zwanengatgebied naar de plassen In en ná neerslagrijke perioden lijken de rietlanden en (deels verjongde) petgaten van het Zwanengat-gebied slib en nutriënten af te geven aan de waterkolom. Deze worden vervolgens deels naar de plassen gevoerd. Om deze belasting weg te nemen kan het Zwanengat-gebied en het “Dwarse” van een alternatieve afvoerroute worden voorzien. Deze kan worden ingezet in perioden met een sterke uitspoeling en de daaropvolgende zomers waarin het particulair fosfor ‘vrijkomt’ uit de waterbodem. De afstroomrichting naar de plassen kan in die periode worden dichtgezet met een ‘kwaliteitsstuw’. Dit is een ingrijpende maatregel die we graag willen volgen met monitoring: we willen de P-flux beter inzichtelijk maken. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht Natuurmonumenten 2021-2027 afweging kosten: bestuurlijke keuze
SGBP3 2021-2027 Optimaliseren defosfateren Bij bestaande defosfateringsinstallaties kan het zuiveringsrendement worden verbeterd door te volgen en bij te sturen. Er is een extra investering nodig in monitoring en analyse: de bemonstering moet worden verbeterd (tijdsproportionele monsterkasten en eventueel ook een continu fosformeter) en er moet beter gekeken worden welke factoren het rendement bepalen (vorm van fosfor in influent, aanwezigheid algen in influent en installatie, vlokvorming, slibvorming). Ook zou er frequenter (tenminste 2 keer per jaar) een herijking gemaakt moeten worden van de benodigde dosering van ijzerchloride en de inlaatprotocollen (bijvoorbeeld het maximale debiet, moment van inlaten en protocol bij droogte). Daarnaast vraagt beheer en onderhoud aandacht (en tijd). Mogelijk moet de inspanningen en locaties waar zuiveringsslib wordt weggehaald worden aangepast. Verder is het van belang omgevingsfactoren (het plaatsen van keerschotten, opwerveling door vis en vaarbewegingen en zuurstofhuishouding in de nabezinksloten) die het rendement beinvloeden voldoende in beeld te hebben en het beheer erop aan te passen. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht geen 2021-2027 afweging kosten: bestuurlijke keuze
SGBP3 2021-2027 Hydrologische isolatie tussen nieuwe natuurgebieden in polder Botshol en Nellestein controleren Het is van belang dat het peil wordt geregisteerd in Nellestein. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht Natuurmonumenten 2021-2027 afweging kosten: bestuurlijke keuze
SGBP3 2021-2027 Renovatie of nieuwbouw van defosfatering Botshol Mogelijk leveren de nabezinksloten na onder bepaalde omstandigheden en moet er extra worden gebaggerd. Ook de schotten in de bruggesloot moeten mogelijk onderhouden worden en de tank en de toedieningsvoorziening vragen om onderhoud. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht geen 2021-2027 afweging kosten: bestuurlijke keuze
SGBP3 2021-2027 Volgen en sturen Het bijhouden of alle bronnen voldoende gereduceerd worden door maatregelen. Dit vraagt om een uitgebreid monitoringprogramma en periodiek terugkerende analyse. Bijvoorbeeld in Botshol (opsporen lekken), Naardermeer, Oostelijke binnenpolder (evalueren effect peilwijziging en inundatie), Hollands Ankeveen, Loosdrecht (boordelen effecten P en visstand), Ouderkerkerplas (effect peil op kwel). Waterschap Amstel, Gooi en Vecht Natuurmonumenten 2021-2027 afweging kosten: bestuurlijke keuze
SGBP3 2021-2027 Kleinere maximumhoeveelheid toestaan voor het onttrekken van water oppervlaktewater Zonder vergunning of melding maximaal 500 m³ (500.000 liter) water per uur uit boezemwater halen. Dit zijn rivieren of kanalen die hoger liggen dan het land achter de dijk. Voor wateren zoals grachten en ander water geldt een maximum van 120 m³ per uur. Nabij (in hetzelfde peilvak) diepe plassen en kleine ondiepe plassen willen we ontrekkingen zoveel mogelijk voorkomen, door een alternatieve locatie te zoeken in een ander peilvak. In uitzonderlijke situaties (groot belang van onttrekking, geen andere bronnen mogelijk) dan is een maximum van 20 m³ per uur toegestaan. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht Waterschap Amstel Gooi en Vecht 2021-2027 aanpassen beleid KEUR: bestuurlijke keuze
SGBP2 2015-2021 Optimaliseren peilregime Botshol Deze maatregel heeft ook invloed op ESF4, habitatgeschiktheid. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht geen 2015-2021 uitgevoerd
SGBP1 2009-2015 Onderzoeken verbetering defosfatering Het uitvoeren van een onderzoek naar de mogelijkheden om de defosfatering van inlaatwater naar het Natura 2000-gebied Botshol te verbeteren Waterschap Amstel, Gooi en Vecht geen 2009-2015 uitgevoerd
SGBP1 2009-2015 Optimaliseren peilregime Botshol Het uitvoeren van maatregelen zodat het peil in voorjaar langer hoog wordt gehouden en in de zomer verder kan uitzakken in. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht geen 2009-2015 uitgevoerd
Niet uitvoeren Baggeren van noordelijk deel Botshol Basenrijke bagger kan niet verspreid worden op veenmosrietland vanwege de voedingsstoffen, afwenteling (door zuurstofloosheid) door nalevering vanuit de waterbodem verkleinen. Dit is een alternatief voor afschotten van greppels om drainage te voorkomen. Meekomend voordeel is ook dat broeikasgasemissies kleiner worden. Vraag is of ook de uitstroom defosfatering moet worden meegenomen (dit leidt tot een ander kostenplaatje). 149.5 m3. Natuurmonumenten Waterschap Amstel Gooi en Vecht niet niet uitvoeren: niet effectief
Niet uitvoeren Zoet schoon water aanvoeren naar Zwanengat Er zou water uit Vinkeveen worden ingelaten via de Ruigkadesloot naar het Zwanengat. Dit is een optie om de door provincie / Natuurmonumenten genoemde nadelen van afkoppelen Zwanengat te mitigeren. Bij Natuurmonumenten leeft de gedachte dat het Zwanengat behoefte heeft aan aanvoer van zoetwater vanuit polder Botshol/Nellestein, opdat de jonge verlanding makkelijker op gang komt. Hier zijn aanvullende kunstwerken voor nodig om het water vanuit Vinkeveen naar het Zwanegat te krijgen. Er is twijfel of dit een nuttige maatregel is (bij L. Moria en W. Rip). M. Ouboter geeft aan dat dit wel zinvol is voor het Zwanegat. Geen Natuurmonumenten niet niet uitvoeren: niet mogelijk
Niet opnemen in SGBP3 Drainage door begreppeling en smallere percelen verminderen Voorafgaand aan deze maatregel willen we graag monitoren wat er voor kwaliteit uit de greppels komt. Het is van belang dat er ook particulair materiaal wordt bemonsterd, want dit wordt mogelijk ook getransporteerd (hiervoor in de stromende regen monsters nemen, waarbij niet alleen de bovenlaag wordt bemonsterd). Schotjes plaatsen in de winter om te voorkomen dat neerslag in de winter te snel afstroomt. Deze maatregel is alleen nuttig als het Zwanengat niet wordt afgekoppeld. Hier zijn technische ontwerpen van die we uit de duinen kennen. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht Natuurmonumenten 2021-2027 afweging kosten: bestuurlijke keuze
Niet opnemen in SGBP3 Staken bevloeien van rietlanden ten behoeve van vergroting rietoogst Teveel aan slib en nutriënten in de waterkolom lijkt in ieder geval ten dele afkomstig uit afspoeling van de rietlandpercelen. Het actief bevloeien van de rietlanden (= maatregel toegepast in verouderde rietlanden om de rietproductie te verhogen/ een jonger successiestadium te stimuleren) vergroot deze afspoeling en brengt organisch materiaal in het oppervlaktewater. Daarom kijken wat reikwijdte en effect van deze bevloeiing is bij pachters dhr. Jansen en dhr. Verweij. Bevloeiing limiteren of beëindigen. Rietoogst vindt mogelijk alternatieven in petgaten die verjongd zijn. Het betreft twee rietsnijders met een klein onverhard oppervlak dat bevloeid wordt. De bevloeiing vindt al 30 jaar plaats. De complexiteit (politiek-sociaal) van de oplossing weegt niet op tegen voordeel. Onbekend Provincie Utrecht niet afweging kosten: bestuurlijke keuze
Niet opnemen in SGBP3 Staken lokale inlaat van ongezuiverd water door Waverkade, onder vrij verval Bij één erf langs de Waver is nog een ‘pijp door de dijk’ aanwezig, waaruit permanent Waver-water het natuurgebied in stroomt waarin ook fosfaat en andere vervuiling zit. De Waver voert zeker in de zomer vrijwel uitsluitend uitslagwater van de droogmakerijen Polder Groot Mijdrecht, die belast is door landbouw en, vooral, droogmakerijkwel met bruin, brakkig en voedselrijk water. Het water dat verweij inlaat op zijn percelen kan niet naar het KRW lichaam Botshol stromen. Deze maatregel kan verwijdert worden. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht geen niet niet uitvoeren: niet effectief
Niet opgenomen in SGBP Afkoppelen Kloosterkolk De aalscholverkolonie in de Koosterkolk brengt veel P in het watersysteem die van elders afkomstig is. De hydrologische isolatie van de Kloosterkolk functioneert nu gebrekkig: stuwen zijn lek en wateroverschotten in de Kloosterkolk worden niet weggeleid naar het landbouwgebied of de Waver. Doel is dit alsnog te doen en bij voorkeur te zorgen voor lichte ‘onderdruk’ in Koosterkolk-compartiment. Deze maatregel is uitgevoerd, alleen de afvoer van water bij overschot (bij voorkeur richting Nellestein) is nog niet gerealiseerd en vraagt om nieuwe kunstwerken. Een stuw is hier wenselijker dan een klep of ander kunstwerk (richting polder Nellestein). Waterschap Amstel, Gooi en Vecht Natuurmonumenten 2019 in uitvoering
esficon SGBP2 2015-2021 Graven petgaten en plaggen tbv jonge verlandingen Botshol maatregel C17 uit LIFE+ subsidie: graven petgaten 2,4 ha (deels incl. verwijderen 1,3 ha (moeras)bos incl. rooien stobben), verwijderen bos 0,2 ha en plaggen 2,3 ha gedegenereerd veenmosrietlandreeds voor 2015 gestart, echter pas na 2015 afgerond. Breedte petgaten geschat op 10 meter Natuurmonumenten Natuurmonumenten 2015-2021 uitgevoerd
SGBP1 2009-2015 Toepassen ecologisch onderhoud oevers hoofdwateren - fase 1 Een gebiedsbrede maatregel in alle waterlichamen Waterschap Amstel, Gooi en Vecht geen 2009-2015 uitgevoerd
esficon SGBP3 2021-2027 Ganzen structureel beheren door populatiebeperking Een maatregel in alle waterlichamen waar een sterke graasdruk op helofyten bestaat. Door ganzenbeheer krijgen met name rietoevers meer kans tot ontwikkeling te komen, wat belangrijk is voor de instandhouding van de populatie Grote Karekiet en andere moerasvogels (Natura2000-doel). De provincie neemt noodmaatregelen (afvangen van ruiende ganzen en plaatsen van rasters bij bedreigde rietkragen), vooruitlopend op een structurele aanpak. Bij de aanleg van natuurvriendelijke oevers is het belangrijk jonge aanplant te beschermen (bijvoorbeeld met gaas) tegen vraat. Provincie Utrecht Natuurmonumenten 2021-2027 bestuurlijke keuze provincie

Disclaimer: SGBP3 maatregelen zijn nog niet bestuurlijk vastgesteld en kunnen nog worden gewijzigd.

Toelichting en onderbouwing ESF-en, monitoring en begrenzing

Motivering KRW status en herbegrenzing

Geen herbegrenzing nodig.

Monitoringswensen

In dit waterlichaam wordt de vegetatie 1 keer per 3 jaar gemeten. Macrofauna wordt niet gemeten, voor de KRW worden resultaten uit een ander waterlichaam getoond in formele rapportages (niet in deze factsheet). Fytoplankton wordt 1 keer per 3 jaar gemeten. Vis wordt 1 x per 6 jaar gemeten. Daarnaast worden maandelijks verschillende fysisch chemische parameters gemeten in het waterlichaam en het inlaatwater van het waterlichaam. Het waterpeil in het aangrenzende moerasgebied moet worden geregistreerd om te bepalen of de Kloosterkolk haar wateroverschot via dit gebied en polder Nellestein af kan voeren.

Indicatoren ESF

ESF 1: Productiviteit

Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).

Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).

ESF 2 en 4: Lichtklimaat en waterdiepte

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

ESF 1 en 3: Waterbodem

Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.

Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.

Brondata: water- en stoffenbalansen

Brondata: Monitoringsresultaten uit meetprogramma`s fysisch-chemie en hydrobiologie

Brondata: Monitoringsresultaten uit meetprogramma waterbodemchemie

EKR scores op alle deelmaatlatten in de tijd

Begrippenlijst en afkortingen

Waterlichaam De waterlichamen vormen de basisrapportageeenheden van de KRW. Op basis van artikel 5 KRW zijn in 2004 Nederlandse oppervlaktewateren aangewezen als KRW-waterlichamen: natuurlijk, kunstmatig2 of sterk veranderd. Een oppervlaktewaterlichaam kan als kunstmatig of sterk veranderd worden aangewezen vanwege ingrepen in de hydromorfologie (art. 4 lid 3 KRW), die het bereiken van de Goede Ecologische Toe-stand verhinderen. In Nederland zijn vrijwel alle waterlichamen kunstmatig of sterk veranderd.

Emerse waterplanten Emerse waterplanten steken gedeeltelijk boven het wateroppervlak uit en wortelen in de (water)bodem.

Helofyten De moerasplanten of helofyten kan men vinden in vochtige gebieden, oevers, tijdelijke wateren en overstromingsgebieden. Typerend voor vele moerasplanten is dat ze zich hebben aangepast aan een droge periode (zoals het uitdrogen van een rivierbedding) en een periode van gedeeltelijke of volledige onderdompeling. Voor sommige soorten is deze afwisseling noodzakelijk voor het bestaan. Terwijl de ‘echte’ waterplanten niet in de bodem wortelen en vaak onder water kunnen leven (met uitzondering van de bloeiwijzen), wortelen de helofyten of moerasplanten in de bodem en steken gewoonlijk boven de wateroppervlakte uit.

Submerse waterplanten De term submers (ondergedoken) wordt gebruikt voor waterplanten die geheel onder water groeien. Alleen de bloeiwijze kan bij sommige soorten boven het water uitsteken.

Hydrofyten De ‘echte waterplanten’ of hydrofyten komen voor in stilstaande of traag stromende permanente meren of rivieren. Deze planten zijn aangepast aan een submers leven. Indien het biotoop uitdroogt wordt het voortbestaan van deze planten bedreigd. De wortels dienen tot verankering van de plant. De stengels kunnen tot tien meter lang worden en zijn soepel en buigbaar. De drijvende bladeren kunnen hierdoor aanpassen aan de waterstand, waardoor de lichtopname niet in het gedrang komt. Andere soorten drijven, onafhankelijk van de bodem, net onder of boven het wateroppervlak. Er bestaan dus hydrofyten met zowel een submerse als emerse groeivorm. In beide gevallen zullen de voedingstoffen hoofdzakelijk via het blad opgenomen worden.

GAF Een afvoergebied of een cluster van peilgebieden met als gemeenschappelijk kenmerk dat ze via een gemeenschappelijk punt hun water lozen op een hoofdsysteem.

EAG Ecologische analysegebieden zijn nieuwe opdelingen van de bestaande af- en aanvoergebieden (GAF’s), meestal (delen van) polders. De opdeling in EAG’s is gemaakt op basis van een aantal kenmerken zoals vorm, verblijftijd, waterdiepte, strijklengte, de aanwezigheid van kwel of wegzijging en de afvoerrichting van het water. Een EAG valt altijd volledig binnen een afvoergebied. Af-en aanvoergebieden, maar ook KRW-waterlichamen, zijn dus opgebouwd uit één of meer EAG’s.

KRW Kaderrichtlijn water

N2000 Natura 2000 De verzameling van Nederlandse natuurgebieden die in Europees verband een beschermde status genieten (Vogel- en habitatrichtlijngebieden).

EKR Ecologische kwaliteitratio, een getal tussen 0 en 1 waarmee de kwaliteit van een ecologische parameter wordt aangegeven. 0 is zeer slecht, 1 is zeer goed. De grens voor het GEP wordt gewoonlijk bij een EKR van 0,6 gelegd.

Biologisch kwaliteitselement Een ecologische groep de waarmee de situatie van het waterlichaam wordt beoordeeld. Gebruikt worden: fytoplankton en diatomeeën (algen), waterplanten, macrofauna (waterdieren) en vissen.

Maatlat Een schaal die gebruikt wordt om de situatie van een ecologische parameter te beoordelen. De uitkomst is een EKR.

Deelmaatlat Voor elk biologisch kwaliteitselement zijn één of meerdere deelmaatlattenonderscheiden op basis van de soortsamenstelling en de (relatieve) aanwezigheidvan soorten, en voor vis de leeftijdsopbouw. De uitkomst is een EKR.

Indicator Een verder opdeling van biologische deelmaatlatten. De uitkomst is in een aantal gevallen een EKR.

GEP of KRW doel De KRW heeft voor natuurlijke waterlichamen als doel dat een goede toestand (zowel ecologisch als che-misch) moet worden gehaald (GET). Voor de kunstmatig of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen moet een goed ecologisch potentieel (GEP) en een goede chemische toestand worden bereikt. Het GEP voor rijkswateren wordt afgeleid door Rijkswaterstaat namens de Ministers van Infrastructuur en Waterstaat, Economische Zaken en Klimaat (en mogelijk Landbouw, Visserij en Voedselveiligheid) en gepresenteerd in het Beheerplan rijkswateren (BPRW, vastgesteld door de ministers). De provincies zijn verantwoordelijk voor het afleiden van het GEP voor regionale wateren. Dit gebeurt in regionale waterplannen. Hoewel de provincie formeel het GEP moet vaststellen in het regionaal waterplan, levert het waterschap vanwege de kennis over watersystemen meestal het GEP aan, als beheerder van het regionaal oppervlaktewaterlichaam. Beide kunnen hierbij de Handreiking KRW-doelen volgen. De KRW biedt uitzonderingsmogelijkheden waarbij het doel later (doelvertraging) of niet (minder streng doel) gehaald hoeft te worden. Alleen in het laatste geval is het GEP niet meer het doel. In deze handreiking is het GEP-synoniem voor het doel, tenzij anders aangegeven. In hoofdstuk 3 en 4 wordt het afleiden van de doelen technisch beschreven.

SGBP Naast het definiëren van waterlichamen en doelen schrijft de KRW voor dat er stroomgebiedbeheerplan-nen (SGBP) worden opgesteld (art. 13 KRW). De bouwstenen van de stroomgebiedbeheerplannen staan in de waterplannen van het Rijk en de provincies en in de beheerplannen van de waterbeheerders. De SGBP’s geven een overzicht van de toestand, de problemen, de doelen en de maatregelen voor het verbeteren van de waterkwaliteit voor de inliggende waterlichamen. Nederland kent vier stroomgebieden: Rijn, Maas, Schelde, en Eems. De beheerplannen voor de stroomgebie-den worden iedere zes jaar geactualiseerd. Volgens bijlage VII van de KRW bevatten de SGBP’s onder andere:de beschrijving van de kenmerken van het stroomgebieddistrict;de ligging, begrenzing en typering van waterlichamen (voor sterk veranderd en kunstmatig inclusief een motivering); de huidige toestand op basis van de resultaten van de monitoring over de afgelopen periode;de doelen voor waterlichamen en een eventueel beroep op uitzonderingsmogelijkheden inclusief motivering; een samenvatting van de te nemen maatregelen om de doelen te bereiken.

Watersysteemanalyse Om goede keuzes te maken voor doelen en maatregelen is het essentieel te weten hoe een waterlichaam werkt. De systeemanalyse heeft als doel inzicht te verschaffen in het systeemfunctioneren, wat via verschillende methoden bereikt kan worden. Dit vormt het vertrekpunt voor het antwoord op de vraag hoe (met welke maatregelen) kan worden gekomen tot een betere toestand. Zonder goed inzicht in het systeem-functioneren is het risico groot dat niet de juiste maatregelen in beeld zijn, of dat maatregelen uiteindelijk niet opleveren wat ervan wordt verwacht.